Do’s en dont’s

Do’s

  • Wat uw dier (of zijn wilde verwant) in het wild zou eten is de maatstaf. Bijvoorbeeld; de fret stamt af van de bunzing. Het natuurlijke dieet van de bunzing bestaat voornamelijk uit kleine prooidieren. Denk hierbij aan muizen, ratten, konijnen etc. Dit kunt u dan ook rustig aan uw fret geven.
  • Prooidieren zijn dus de gouden standaard. Als het niet lukt om (altijd) echt hele prooidieren te geven, probeer dan wel om deze voeding zo goed mogelijk na te bootsen qua samenstelling.
  • Probeer zo veel mogelijk te variëren.
  • Wees geduldig als uw dieren niet meteen enthousiast zijn over de rauwe voeding. Geef niet te snel op en probeer inventief te zijn.

Dont’s

  • Geef niet alléén vlees. Uw dier heeft het calcium dat in bot aanwezig is hard nodig. Het is het hele pakketje van én vlees, én bot, én orgaan dat een complete voeding maakt.  Anders zullen er gegarandeerd tekorten ontstaan.
  • Geef NOOIT gekookte botten. Gekookt bot verliest zijn elasticiteit en wordt harder, en hierdoor kunnen scherpe splinters ontstaan.
  • Geef géén varkensvlees. Dit kan besmet zijn met de ziekte van Aujeszky. Deze ziekte is ongevaarlijk voor de mens maar is altijd fataal voor honden, katten en fretten. (Los daarvan wordt varkensvlees ook niet altijd goed verdragen door dieren).
  • Laat jonge, oude of zieke dieren, of fretten met insulinomen NIET vasten. Een beetje honger kan in sommige gevallen net die extra stimulans zijn om uw dier te overtuigen, maar níet in deze gevallen.